Prefect: ‘Meer terughoudendheid bij windturbineprojecten’

De prefect van het departement Aisne, Ziad Khoury, kondigde een jaar geleden al in zijn nieuwjaarstoespraak aan dat het tijd is voor “meer terughoudendheid ten aanzien van windturbineprojecten, met name met betrekking tot landschaps- en erfgoedcriteria, ten behoeve van andere vormen van energietransitie zoals die via zonnepanelen, biogas of zonneboilers.”

In onze vorige nieuwsbrief meldden wij dat de prefect inmiddels de daad bij het woord voegde door het project bij Any-Martin-Rieux, Leuze en Martigny af te wijzen. Op 25 november 2020 is ook het windmolenproject van het bedrijf Enertag in de buurt van Dorengt door de prefect afgewezen.

Onlangs heeft hij de daad bij het woord gevoegd. In onze vorige nieuwsbrief we al over de afwijzing van het project bij Any Martin Rieux, Leuze en Martigny. Ondertussen is ook een project in de buurt van Dorengt afgewezen.
Op woensdag 2 december hadden de vereniging Platform Thiérache en het collectief Agir Pour La Thiérache een ontmoeting met mevrouw Sonia Hasni. De voorzitter van onze vereniging, de heer Yann Le Goff, overhandigde allereerst de 1.163 petities tegen de plaatsing van windmolens in de Thiérache. Vervolgens overhandigde Mart. Warmerdam als Nederlandse vice-voorzitter van Platform Thiérache een tiental brieven met verhalen van Nederlandse en Belgische bezitters van vakantiehuizen in de Thiérache aan de sous-prefect. In deze brieven uiten zij hun zorgen over de mogelijke komst van windmolens in de Thiérache. Mevrouw Hasni begrijpt de grote ongerustheid en waardeert de betrokkenheid van de buitenlandse huizenbezitters bij de toekomst van de Thiérach

Verslag van gesprek met de sous-préfète, Mme Sonia Hasni

Op woensdag 2 december van het vorige jaar hadden de vereniging Platform Thiérache en het collectief Agir Pour La Thiérache een ontmoeting met mevrouw Sonia Hasni. De voorzitter van onze vereniging, de heer Yann Le Goff, overhandigde allereerst de 1.163 petities tegen de plaatsing van windmolens in de Thiérache. Vervolgens overhandigde Mart. Warmerdam als Nederlandse vice-voorzitter van Platform Thiérache een tiental brieven met verhalen van Nederlandse en Belgische bezitters van vakantiehuizen in de Thiérache aan de sous-prefect. In deze brieven uiten zij hun zorgen over de mogelijke komst van windmolens in de Thiérache. Mevrouw Hasni begrijpt de grote ongerustheid en waardeert de betrokkenheid van de buitenlandse huizenbezitters bij de toekomst van de Thiérache.

“Om de planeet te redden, vermoordt de windindustrie ons platteland”. Met dit statement opende Jean-Hugues Pointier, voorzitter van het collectief Agir Pour La Thiérache, vervolgens een vurig pleidooi om de Thiérache tot beschermd gebied te verklaren.

“Plaatsing van meer dan vijftig windturbines rond Plomion zal uiteindelijk de euthanasie van een uniek gebied betekenen, met als gevolg het economisch en sociaal verval van de dorpen en vernietiging van het woon-en leefgenot van haar inwoners. We stellen voor, in de geest van het ‘Handvest voor het landschap van de Thiérache’ (Charte Paysagère du Pays de Thiérache), om een ​​beschermingszone, een natuurpark, in de Thiérache te creëren, dat zich keert tegen alle industriële installaties die het milieu en het landschap beïnvloeden.

Het Regionaal Natuurpark Avesnois (PNR) zoekt uitbreiding naar de Thiérache. Deze uitbreiding kan worden opgenomen in de herziening van het bestaande handvest in 2021.

Omdat dit project territoriale, ecologische en economische belangen zal dienen, lijken de administratieve autoriteiten van de prefectuur en subprefectuur zich aan te sluiten bij dit project in het kader van het ‘Sambre-Avesnois-Thiérache Pact’.

Als we welwillend naar onze gesprekspartners hebben geluisterd, is het aan ons om de gekozen vertegenwoordigers van de Pôle d’Équilibre Territorial et Rural (PETR) van de Thiérache ervan te overtuigen om dit project, dat meer dan tien jaar geleden is gestart, vooruit te helpen.

Om het succes ervan niet in gevaar te brengen, vragen we de prefect van het departement Aisne, de heer Ziad Khoury, om een ​​moratorium op de plaatsing van windmolens in dit gebied en in gesprek te gaan met de belanghebbenden in dit dossier – de gekozen functionarissen en verenigingen van inwoners – die hopen dat deze keer de regio Hauts-de-France zich bij dit geweldige project zal aansluiten.

Grand Cerisier stopgezet?

Onlangs heeft de burgemeester van Coingt – een van de gemeenten waar Renewable Energy Systems windmolens wil plaatsen – de inwoners op de hoogte gebracht “van de weigering van de regionale prefect om de installatie van windturbines in de Thiérache toe te staan. Gezien de juridische acties van de windturbinebedrijven, moet de definitieve beslissing nog worden afgewacht”. 

Blijkens bovenstaande mededeling zal het project Grand Cerisier – met 3 geplande windmolens in Coingt, 5 in Nampcelles-la-Cour en 1 in Dagny-Lambercy – dus door de prefect worden stopgezet.

Omdat wij hierover (nog) geen officieel besluit hebben kunnen achterhalen, hebben wij na de bespreking met mevr. Hasni nog enkele concrete vragen naar aanleiding van deze mededeling in een e-mail aan haar voorgelegd:

• Kunt u ons vertellen wat de exacte reikwijdte van dit bericht is? 
• Betekent dit dat er in Thiérache geen enkel windparkproject meer wordt uitgevoerd? 
• En als dit waar is, geldt dit moratorium dan voor de duur van de regering van de huidige prefect, de heer Ziad Khoury? 
• En kan een nieuw gekozen prefect het moratorium later weer opheffen?

Mevr. Hasni antwoordde hierop het volgende:

“Naar aanleiding van de vele reacties in Hauts-de-France zijn er verschillende bijeenkomsten georganiseerd bij het Ministère de la Transition Écologique et Solidaire. De regionale prefect kreeg het mandaat van minister Élisabeth Borne om met gekozen functionarissen de gebieden te inventariseren waar windturbines kunnen worden ontwikkeld zonder het natuurlijk en cultureel erfgoed te schaden. Dit werk is met name gebaseerd op een DREAL-analyse (milieueffectbeoordeling). De resultaten van deze analyse zullen in principe echter niet bindend zijn. Ze zullen daarom vooral dienen als informatie-instrument voor zowel gekozen functionarissen en inwoners als voor projectontwikkelaars.

Als de prefect van het departement tot nu toe effectief alle projecten op het grondgebied van de Communauté de Communes du Pays des Trois Rivières heeft geweigerd, werden deze beslissingen ingegeven door de impact die deze projecten zouden hebben gehad op hun omgeving, en die van geval tot geval worden bekeken. De zaken die worden onderzocht, zullen het onderwerp zijn van individuele beslissingen op basis van de lokale feiten. En er is momenteel geen moratorium op dit grondgebied (noch op enig ander), een dergelijk besluit zou volkomen onwettig zijn.”

Milieueffectrapportage Grand Cerisier uiterst kritisch

Rosse vleermuis

Recent hebben wij de hand weten te leggen op de milieueffectrapportage van het project Grand Cerisier dat op 9 december j.l. werd gepubliceerd door de MRAe (Mission Régionale d’Autorité environnementale). De MRAe is zeer kritisch over het onderzoek dat de projectontwikkelaar, Renewable Energy Systems (RES), heeft gedaan en is het op tal van punten oneens met de RES-conclusies. Met name de zogenaamde geringe impact van de windmolens op de kwetsbare vleermuizenpopulaties en op die van ernstig bedreigde vogels als de zwarte ooievaar en rode wouw worden door het MRAe als ‘miskwalificaties’ beschouwd (‘sous-qualificé’).

Vleermuizen

Allereerst het onderzoek naar de vleermuizen. Volgens het MRAe is er onvoldoende onderzoek door RES gedaan naar de vliegroutes van migrerende soorten. Ook is niet de volledige levenscyclus van de aanwezige soorten onderzocht, zijn er geen geluidsopnames gemaakt en is er geen onderzoek gedaan naar vlieghoogtes.

MRAe: “Een aanvullende analyse is des te meer gerechtvaardigd aangezien 12 soorten, allemaal beschermd, werden waargenomen tijdens de grondinventarisaties. Tien soorten zijn belangrijk vanwege hun status als regionaal natuurerfgoed en twee zijn met uitsterven bedreigd (de Vale vleermuis en de Bechsteins vleermuis). Bovendien hebben hoog vliegende soorten een verhoogd risico om te worden geraakt door windturbines en de overgrote meerderheid van deze soorten is niet vanaf de grond detecteerbaar. Onder de 12 vleermuissoorten die in het projectgebied zijn geïdentificeerd, zouden er vijf hoog vliegen (vlucht op een hoogte van meer dan 40 m): de Laatvlieger (Eptesicus serotinus), de Rosse vleermuis (Nyctalus noctula), de Bosvleermuis (Nyctalus leisleri), de Watervleermuis (Myotis daubentonii) en de Brandts vleermuis (Myotis brandti).”

Het rapport besteedt een aparte alinea aan de Rosse vleermuis (Nyctalus noctula), die in de buurt van de E4-turbine werd waargenomen. MRAe: “Een publicatie van juli 2020 van het National Museum of Natural History (MNHN) toont een zeer hoge daling van het aantal rosse vleermuizen, in de orde van grootte van 88% tussen 2006 en 2019, wat impliceert dat de vernietiging van individuen zou kunnen leiden tot aanzienlijke effecten op de soort of zelfs tot het verdwijnen van de soort in Frankrijk. Bovendien vliegen deze soorten op een hoogte van meer dan 40 m.”

Volgens MRAe is het onjuist dat RES in haar onderzoek concludeert dat windmolens voor deze soort een geringe impact zullen hebben. Ten slotte zegt MRAe nog iets over de zeer grote rotordiameter (132 m) van de geplande windturbines: “Volgens een recente studie door la Société Française pour l’Étude et la Protection des Mammifères (SFEPM) blijkt dat bij windmolens met een rotordiameter van meer dan 90 meter de effecten op vleermuizen erg groot zijn, waarbij hoge sterftecijfers worden waargenomen”.

Gezien al deze aspecten en in het bijzonder gezien de aanwezigheid in dit gebied van de rosse vleermuis, waarvan voor het uitsterven in de komende jaren gevreesd moet worden, adviseert de MRAe om ​​een andere locatie te zoeken voor de windmolens. Als de locatiekeuze gehandhaafd blijft, beveelt de milieuautoriteit aan ervoor te zorgen dat de belangrijkste problemen worden vermeden door windturbines E1, E2, E4, E5 en E9 te verwijderen en aanvullende maatregelen te definiëren om effecten te verminderen en te compenseren.

Zwarte ooievaar en rode wouw

Dan de beoordeling van het onderzoek naar de vogelsoorten in het gebied. Ook hier komt de MRAe tot de conclusie, dat het RES-onderzoek aan alle kanten rammelt en de conclusies veel te rooskleurig worden voorgesteld.

MRAe: “De inventarisaties werden uitgevoerd tijdens 31 reizen tussen 2015 en 2016, d.w.z. reizen die meer dan 3 jaar oud zijn. Bovendien, aangezien de windturbines op ongeveer 500 meter van twee valleigangen – de beek Le Huteau en de rivier La Brune – zijn gepland, had het migratieonderzoek moeten worden uitgevoerd met behulp van radartechnologie; deze techniek maakt het mogelijk om de stromen en hoogtes van trekvluchten te bepalen. Gezien de aanwezigheid van twee valleien op minder dan 500 meter van de windturbines, beveelt de milieuautoriteit aan om met radartechnologie een migratiestudie uit te voeren op alle vogels en de impact op deze soorten opnieuw te beoordelen.”

De inventarisaties detecteerden de aanwezigheid van 83 vogelsoorten in het broedseizoen, waarvan er 66 beschermd zijn; 94 soorten tijdens de trek, waarvan 69 beschermd; 60 soorten in de winter, waaronder 39 beschermde soorten. De RES-studie definiëert een impact ‘gemiddeld tot laag’ op de rode wouw; ‘gemiddeld’ op de grauwe kiekendief, ‘gemiddeld tot zeer zwak’ op de blauwe kiekendief; ‘gemiddeld tot laag op de torenvalk’; ‘gemiddeld tot zeer laag’ op de kievit; ‘laag tot verwaarloosbaar’ op andere soorten. 

Al deze impact-effecten zijn volgens de MRAe om verschillende redenen te laag vastgesteld. Zo bevinden de windturbines E1, E5, E8 en E9 zich op minder dan 200 meter van sectoren die zijn geïdentificeerd als gebieden met een hoge vogeldichtheid.

Ook de aanvaringsgevoeligheidsniveaus worden te laag voorgesteld en de gevolgen daarvan onderschat. De RES-studie wordt bijvoorbeeld afgesloten met een ‘zeer lage tot verwaarloosbare’ impact voor de zwarte ooievaar

MRAe: “Er moet aan worden herinnerd dat de zwarte ooievaar, een uitzonderlijke soort, van algemeen belang is: ‘bedreigd’ op de rode lijst van broedvogels in Europees Frankrijk (2016), ‘kwetsbaar’ op de rode lijst van niet-broedvogels in Europees Frankrijk (2011) en ‘ernstig bedreigd’ op de rode lijst van vogels in ex-Picardië (2009). In 2006 bedroeg de regionale populatie 2 tot 4 paren. Deze soort heeft dus een kwetsbaarheidsindex voor windmolens van 3,5 in Frankrijk en Picardië. Bovendien heeft deze soort een grotere betekenis aangezien het een zogenaamde ‘paraplu’-soort is: zijn leefruimte is groot genoeg voor zijn bescherming om die van andere soorten te verzekeren, al dan niet behorend tot dezelfde gemeenschap. Bovendien blijkt uit meerjarige waarnemingen van de zwarte ooievaar dat hij foerageert in een gebied ten noordoosten van de lijn Brunehamel, Dagny-Lambercy, Etréaupont en La Capelle. Er moet ook worden opgemerkt dat er een bewezen foerageergebied is langs de Coingt-vallei en tussen Lambercy en Coingt, dat wil zeggen tussen de twee groepen windturbines – 3 in Coingt en 6 in Nampcelles-la-Cour/Dagny – van het geplande windmolenpark.” 

Rode wouw (foto Jean-Loup Ridou)

Tenslotte de rode wouw. In het RES-onderzoek wordt de impact op deze soort als ‘laag tot gemiddeld’ gekwalificeerd. MRAe: “De rode wouw – een grote trekvogel, een zeer zeldzame soort, van algemeen belang – is echter ‘kwetsbaar’ volgens de rode lijst van broedvogels op het vasteland van Frankrijk (2016) en niet-broedvogels in Frankrijk, en ‘ernstig bedreigd’ op de rode lijst van vogels in ex-Picardië (2009). Deze soort is ook het onderwerp van een nationaal actieplan. Het heeft dus een kwetsbaarheidsindex van 4 in Frankrijk en 4,5 in Picardië.”

“Opgemerkt moet worden dat er in september 2020 een botsing heeft plaatsgevonden van een rode wouw met een windturbine nabij Marle, op ongeveer 12 km van het projectgebied. We herinneren eraan dat het leefgebied van deze soort rond het nest 5 tot 10 km is. Daarnaast is de soort waargenomen in het westelijke deel van de locatie waar de windmolens zijn gepland, in lijn met de geplande installatie van windturbines E2, E5, E3 en E6. Het RES-onderzoek geeft aan ‘dat een minimumafstand van 530 m tussen de masten in het westen’ de jacht voor deze vogel mogelijk maakt; a priori is de ruimte aan het uiteinde van de schoep tussen deze windturbines echter minder dan 200 meter, waardoor voor deze vogel een potentieel barrière-effect ontstaat met betrekking tot de vluchten die tussen deze windturbines worden gemaakt. Ook hier is het dus nodig om de impact van het voorgestelde windmolenpark op de rode wouw opnieuw te beoordelen.”

Met betrekking tot de identificatie van sectoren met significante avifaunistische activiteit, en vooral gezien de aanwezigheid van twee beschermde en bedreigde soorten – de zwarte ooievaar en de rode wouw – die waarschijnlijk sterk negatief worden beïnvloed door het geplande windmolenpark, beveelt de milieuautoriteit aan om een ​​alternatieve oplossing te zoeken voor de gekozen locatie. Als de locatiekeuze gehandhaafd blijft, beveelt de MRAe aan ervoor te zorgen dat de belangrijkste problemen worden vermeden door windturbines E1, E2, E3, E5, E6, E8 en E9 te elimineren en te zorgen voor “extra reductie en compensatie voor resterende effecten.”

We kunnen niet anders concluderen dan dat het een bijna onmogelijke opgave wordt voor de projectontwikkelaar om de bezwaren van de MRAe weg te nemen.

Tenslotte vinden wij het hoopgevend om te constateren dat de milieuautoriteit haar werk zeer nauwgezet heeft gedaan en de verkeerde voorstelling van zaken door RES vakkundig onderuit heeft gehaald.

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.